Toespraak 100 Jaar Jeugd op LSC
Op vrijdag 10 april vierde LSC 1890 het 100-jarig bestaan van de jeugdafdeling. Een select gezelschap kreeg in aanwezigheid van de Commisaris van de Koning, Arno Brok, en wethouder Bauke Dam, in ’t restaurant een toespraak over de totstandkoming van 100 jaar jeugdvoetbal bij LSC 1890. Deze toespraak van oud-voorzitter Romke Akkerman, is hieronder in zijn geheel terug te lezen.
Het ontstaan van de jeugdafdeling van LSC 1890.
Waarom wilde het bestuur destijds een eigen jeugdafdeling, wat waren de problemen waar men tegenop liep, hoe zag het voetballen er uit en meer van die zaken. Voor een beantwoording van deze en andere vragen neem ik u graag mee terug in de tijd: 100 tot 110 jaar geleden.
Maar eerst nog even het volgende. In de vroege geschiedenis van LSC 1890, de periode vanaf 1890 tot 1905, moest men op het gymnasium of de HBS zitten, of behoren tot de gegoede stand om lid te kunnen worden. Een nogal strenge ballotage. Ik kom daar later op terug.
Toen de jeugdafdeling werd opgericht bestond dit sportpark, de tribune en het restaurant nog niet. LSC 1890 voetbalde op andere velden zonder voorzieningen als kleedkamers, douches, toiletten, een kantine, materiaal hokken en noem maar op.
Terug naar het ontstaan van de jeugdafdeling. Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw bestond bij LSC 1890 een elftal vaak uit jeugdige en volwassen spelers. Dit werd in het bestuur steeds vaker als ongewenst beschouwd.
Begin van de jaren twintig ontstond dan ook bij LSC 1890 het streven om de oudere spelers van de jongere af te scheiden. Echter LSC 1890 speelde toen op de oude ijsbaan, nu het Veemarkt-parkeerterrein aan de Stationsstraat. De mogelijkheden om daar te voetballen waren beperkt. In de herfst en de winter was de ijsbaan vaak onbespeelbaar en LSC 1890 mocht daar maar met twee elftallen spelen.
Het bestuur probeerde in die tijd de jongeren zo veel mogelijk in de zomer te laten voetballen. Al met al een vervelende situatie en het bestuur probeerde dat op te lossen door de contributie voor de jeugdigen te verlagen en wedstrijden te regelen in andere plaatsen. Daar hadden de ouders dan weer problemen mee omdat hun zonen dan bijna elke zondag weg waren te voetballen.
Het was dus nogmaals een vervelende situatie. Maar gelukkig kwam er een verbetering. LSC 1890 ging voetballen op een terrein gelegen aan de Kerkhoflaan en daar mocht LSC 1890 met drie teams voetballen. Het derde elftal werd het jeugdelftal en dat speelde de sterren van de hemel en behaalde een kampioenschap.
Gevolg hiervan was dat jeugdige spelers weer werden ingedeeld bij de twee teams van volwassenen en daar ontstond weer de ongewenste situatie van jongeren van 13/14 jaar in een team met oudere mannen van 20 tot 30 jaar.
En omdat er maar met drie teams mocht worden gevoetbald, was het ook niet mogelijk om meer jeugdige spelers toe te laten.
Even terzijde.
Als er werd gevoetbald op het terrein aan de Kerkhoflaan werden eerst de doelen opgezet: twee palen in gaten in de grond een daar tegenaan werd de lat geschroefd. Men had nog niet de beschikking over een kalkkarretje om de lijnen op het veld te zetten. Dat gebeurde anders: ’s morgens ging de voorzitter de lijnen krijten. Op zijn prachtig Sneekers: de linen kryten.
Een zak vol met gemalen bordkrijt en met de hand dit uitstrooien om zo de lijnen te krijgen. Het kryten van de linen. Ongeveer 350 meter aan belijning werd zo aangebracht, wat een werk moet dat zijn geweest.
Een tweede belangrijke stap was de fusie met de vv Black Boys in 1924. Hierdoor kwamen er weer een aantal jonge spelers bij LSC 1890.
In Sneek was er later ook een voetbalclub met de naam Black Boys. Deze club is een paar jaar geleden opgegaan in de voetbalvereniging Sneek Wit Zwart. Ik heb me afgevraagd of er een relatie was tussen beide clubs. Maar toen ik las dat het Black Boys dat fuseerde met LSC 1890 een club van geheelonthouders was, wist ik het direct: geen relatie.
De toevoeging van Black Boys betekende dat er een vierde elftal aan de vereniging werd toegevoegd met alleen jeugdige spelers.
Ook dit elftal sloeg een goed figuur en weer ontstond de situatie dat jeugdige spelers in elftallen werden ingedeeld met volwassenen
Al met al leidde dit ertoe dat het bestuur in het najaar van 1925 besloot dat er een eigen Afdeling voor juniores, zoals dat toen werd genoemd, moest komen.
In de dagbladen kwam een advertentie te staan dat het de bedoeling was om een Afdeling juniores te verbinden aan de vereniging. Alleen zij die studeerden op de HBS, het gymnasium of andere inrichtingen van onderwijs en niet ouder dan 15 jaar zullen worden toegelaten. Hier is dus weer de ballotage zoals in de beginjaren van de vereniging zoals eerder vermeld.
Een verklaring zou kunnen liggen in het feit dat in die tijd de meeste jongens en meisjes na het verlaten van de basisschool meteen aan het werk moesten: zes dagen in de week van hard werken. En het bestuur hield dus vast aan de oude ballotageregel dat alleen jongens uit de gegoede stand lid mochten worden en niet arbeiderskinderen.
Ter geruststelling: dit uitgangspunt is al lang geleden aan de kant gezet en ieder kan lid worden van LSC 1890.
Er melden zich acht jongens waarvan de eerste de in LSC 1890 zeer bekende Jelle Olij was. De heer Olij behoorde later tot één van de meest vooraanstaande LSC’rs in de geschiedenis van de vereniging.
Acht jongens waren echter te weinig en de winter brak aan zodat er weinig gevoetbald en geoefend kon worden.
Op 5 april 1926 werd aan de heren Sjoerd Zandstra en Jan Zwanenburg gevraagd om een wedstrijd voor jongeren te organiseren. Beide heren gingen meteen los: op de Oosterdijk, Grootzand, Kleinzand etc en bij de scholen werden jongeren gevraagd om een wedstrijd te spelen.
En op zaterdagmiddag 10 april 1926 werd de eerste wedstrijd gespeeld en na afloop werden de jongens direct gevraagd of ze lid wilden worden en 20 van de 22 jongens werden lid zodat hiermee de Afdeling Juniores tot stand was gekomen. De oprichting van de eerste jeugdafdeling in het Noorden van het land was een feit.
Daarna steeg het aantal leden schrikbarend: op maandagavond 12 april waren er al 30 leden, op zaterdag 17 april waren er 45 leden en op zaterdag 24 april al 50 leden. In de vergadering op 24 april 1926 werden de juniores door de voorzitter erop gewezen dat zij nog een schriftelijke toestemming van hun ouders moesten overleggen.
Op 19 juni 1926 organiseerde de voorzitter een spelregelmiddag voor de juniores. Waar hij zich niet aan waagde, volgens de annalen, was de uitleg van de buitenspelregel. Kennelijk was die toen al even onduidelijk en omstreden als nu.
Op het Kerkhoflaan-veld was er geen hok of schuur voor opslag van materialen. Per jeugdteam werd daarom een balbewaarder benoemd. Deze moest de bal bewaren en als hij de bal kwijtraakte dan moest hij een boete betalen en een nieuwe aanschaffen.
De twee leiders van de Afdeling Juniores, de heren Zandstra en Zwanenburg, ondervonden veel weerstand. Ik citeer de heer Zandstra: groot was in het begin de anticipatie tegenover onze afdeling van de leden van LSC 1890, alles keerde zich tegen ons maar met het spreekwoord ‘alle begin is moeilijk’ voor ogen hebben we volgehouden en overwonnen de anticipatie. Later zag men het nut van een eigen afdeling juniores. Einde citaat.
Beide heren verdienen een grote waardering voor hun inspanningen. Zij werden binnen de vereniging uitgemaakt voor ‘bewaarschoolhouders’. Een bewaarschoolhouder was iemand die leiding gaf aan een kleuterklas. Later werd dit een eretitel voor beide heren. De afdeling juniores kreeg de bijnaam van : bewaarschool der Sneeker jeugd”.
Met de vermelding dat in 1927 al het eerste jeugdtoernooi werd gehouden en dat in 1935 voor het eerst een jeugdelftal naar een buitenlands toernooi ging, in Duitsland, kom ik zo aan het einde van dit verhaal over het begin van onze Afdeling juniores.
Een moeilijke en moeizame start die door stug volhouden heeft geleid tot de huidige prachtige en florerende jeugdafdeling van onze vereniging.
Romke Akkerman